Wat weeft in mij ?

Breda-Kortrijk-Machelen-Ronse, 2012-14

Na een eerste versie in Lokaal 01 (Breda) in september 2011, een tweede versie in radikaal hart (Kortrijk) in oktober-november 2012, een derde versie in het Roger Raveel Museum (Machelen aan de Leie) in juni-oktober 2013, volgt een vierde versie in CC De Ververij (Ronse) van 22 maart tot 20 april 2014. In Breda werden uitsluitend textiele kunstwerken uit Marokko en Tunesië getoond, in Kortrijk idem plus enkele hedendaagse kunstenaars/kunstenaressen, in Machelen een combinatie van Marokkaanse tapijten, abstracte werken van Raveel en zijn generatiegenoten alsook van een aantal hedendaagse kunstenaressen/kunstenaars uit binnen- en buitenland. De tentoonstelling in Ronse behelst uitsluitend werk van vrouwelijke kunstenaars. Eén groep is afkomstig uit ons land, en bestaat uit hedendaagse (21e-eeuwse) kunstenaressen. De andere groep bestaat uit anonieme textielkunstenaressen uit Marokko (19e en 20e eeuw). De eerste groep schildert, assembleert, danst, beeldhouwt, de andere groep weeft. 

De werken die hier bij mekaar gebracht worden, behoren tot uiteenlopende disciplines die heel ver uit mekaar schijnen te liggen : weven – schilderen – assembleren – dansen. Gemakkelijkheidshalve beschouwt men deze disciplines meestal afzonderlijk. Niettemin zijn ze verbonden door hun herkomst, in een tijdsgebonden schepping, vanuit het gelaagde, gevoelige, bezielde lichaam. Aan de orde is de geboorte van de esthetische, ‘geladen’ vorm, drager van affect, van zingeving. De oorsprong hiervan, ver vóór de artistieke fixatie, ligt in de grenszones van geest en lichaam, waar de esthetische impuls haar energieën uitzendt. Allereerst huist deze impuls in het lichaam, of beter : in de grenszones tussen lichaam en psyche, als artistiek medium. Om ons te herinneren aan de bron is daarom het scheppende lichaam –-via video’s of tijdens live performances aanwezig.

De werken die hier bijeengebracht worden, staan dicht bij die ‘bron’ : ze zijn misschien het resultaat van een langdurig werkproces, maar niettemin hebben hun makers de aansluiting bij hun originaire impulsen niet verloren. De werken getuigen er ook van, hoe de affectgeladenheid van een vorm betekenis en zingeving schept en overdraagt –maar niet zoals het symbool, dat opereert via afwezigheid en vervanging. De geboorte van de naamloze maar door zijn schoonheid rakende vorm is hier aan de orde. En ook al wordt achteraf een naam gegeven aan die vorm, uiteindelijk is deze naam niet wezenlijk :  La grande image n’a pas de forme (François Jullien), wat men uiteindelijk verlangt van de beeldverschijning heeft geen benoembare gestalte, ook al worden de vormen in een gestalte gegoten.

De kunstwerken die hier mekaar ontmoeten zijn doorgaans abstract : geen verhaal, geen re-presentatie. Soms zweven ze tussen figuratie en abstractie. Als de kunstenaar al uitgaat van de waarneming van de wereld, dan verschijnt iets van de werkelijkheid onder de invloed van een aandrift, een energetica die in geheel andere zones ontspringt. Deze zoekt haar uitweg in naamloze vormen maar ook in de figuratie. In welk medium deze tot uiting komt, hangt af van vele factoren zoals culturele traditie, beschikbare middelen, gender.

In tegenstelling tot de hedendaagse kunstenaressen uit ons land waren de weefsters uit Marokko vrouwen van het platteland, die hun werk niet ondertekenden en het evenmin verkochten. Uitzonderlijk begaafde weefsters werden in het Berbers als tamharoust [= ‘energetische vrouw’], in het Arabisch als fennana [= ‘kunstenares’] betiteld. In een zeer ‘archaïsche’ gemeenschap ontstond, overigens reeds lang geleden, een volstrekt ‘hedendaagse’ kunst, waarvoor de zuivere abstractie  vanzelfsprekend was. Deze tapijten werden geweven zoals een ‘modern’ werk tot stand komt : doorheen de momentgebonden inspiratie van de kunstenaar. Er was geen voorafgaande schets of ontwerp, geen gegeven patroon of vastliggende tekening. Er is ook geen sprake van bewuste symboliek : vormen en kleuren verwijzen nooit naar een uiterlijke werkelijkheid. Het is de ‘innerlijke reis’ van de kunstenares, waarvan de expressie een zeer sterke geladenheid kan bezitten. Ze zijn ‘intiem’, in die zin dat ze nooit voor een extern publiek bestemd waren en als zeer persoonlijk werden ervaren.  Paradoxalerwijze is deze zo hedendaags ogende kunst teloor gegaan in de laatste decennia, door de toenemende invloed van de wetten van de moderniteit. Slechts in zeer afgelegen regio’s leeft deze weefkunst nog; van één tapijt kennen we de maakster met name.

De werken van beide groepen zijn niet tot stand gekomen via invloed vanuit de andere groep. Niettemin zijn de energetische en esthetische overeenkomsten tussen kunstwerken uit beide groepen fascinerend, verbijsterend, en voor sommige waarnemers misschien onwaarschijnlijk. De tentoonstelling wordt geschraagd door een antropologisch perspectief. Uit de bijeengebrachte werken blijkt hoe bepaalde grondpatronen, energieën, interesses, pulsies, expressieve verlangens en esthetische keuzes doorheen uiteenlopende individuen en zelfs doorheen uiteenlopende culturen en tijden werkzaam zijn. Een individueel werk kan een unieke manifestatie kan zijn van zo een gegeven. Het medium kan verschillen, de overeenkomst of aansluiting ligt in een onderliggende energetica, die  opwelt vanuit de grenszones materie en ziel/psyche/geest. In de Westerse cultuurgeschiedenis zag men kunst lange tijd als een materieel handwerk, daarna, sinds de Renaissance, in een fallocentrische slingerbeweging naar het andere uiterste, als een psychische scheppings-act. In de hedendaagse-kunst-scène slingert men tussen de ‘emotionele beleving’ en de concept-cultus. We delen overigens géén van deze houdingen. Het is ‘vóór’, of zo men wil, ‘onder’ idee en gevoel dat de esthetische impuls haar affectgeladen energieën uitzendt.

De tentoonstelling biedt via vier video’s van Pé Vermeersch een doorlopende aanwezigheid van dans/performance, als herinnering aan de bron van de esthetische pulsie, en als een tweede spoor, of, zo men wil, als een meta-kunstwerk. Choreografe Pé Vermeersch, werkt sinds lange tijd specifieke, ervarings-gegroeide dans-grondvesten uit. Het ervaringsgerichte lichaam is een lichaam dat voelt, dat wordt, dat verandert, dat onvoorspelbaar vitaal is. Het is een lichaam dat een zachte en tegelijkertijd complexe manier van communiceren heeft, voor iedereen ‘voelbaar’. Het raakt en communiceert op een basaal, lichamelijk, sensitief complex niveau. Het is dit ‘wijze’ lichaam, energetisch en sensibel geladen,  dat hiermee ook inzet van bemiddeling tussen abstracte kunst en toeschouwer wordt. In vier video’s, ‘dubbelportretten’, is dit lichaam te zien. Een  tapijt laat zich als een energetisch en lichamelijk veld lezen, ontdaan van symboliek en narratieve betekenis.  Vormen en patronen zijn meestal erg helder en tegelijkertijd onvoorspelbaar en organisch gegroeid.  De patronen dagen uit om zelf deze vormen te worden, in/met het lichaam deze vormgenese te laten ontstaan, als danser een gevoelsgids voor het tapijt, en zelfs ruimer, de tentoonstelling te zijn.

Op de sluitingsdag van de tentoonstelling (20 april) zullen Pé Vermeersch en Angela Babuin in een live performance elk één tapijt ‘belichamen’ en  ‘beademen’.

Aansluitend bij de tentoonstelling maar in een latere fase (herfst 2014) zal Pé Vermeersch in première haar nieuwe voorstelling Abstract me ! (fase 1) voorstellen. Abstract me ! is een willens nillens flirten met het onophoudelijk verglijden tussen figuratie en abstractie. Hoezeer er zich ook een domein van ervaringsgerichte mogelijkheden voor performance en dans aanbiedt waardoor de performer haast een object kan worden, een lichaam dat als een canvas te lezen valt, toch zal hij nooit het doorleefde lichaam van de contour van de persoon kunnen ontdoen. In deze spanning tussen figuratie en abstractie zit een inherente schoonheid. Een verglijden of vervagen van het ‘ik’ van de performer. Abstract me ! laat zich dus ook als een ‘smeekbede’ lezen, een verlangen, een intentie. Dit verglijden tussen abstracte vorm en figuratie, tussen beleving van ruimte en tonen van een contour, manifesteren en verdwijnen van het ik, zal de beweging zijn waarin een complexe puzzel op heldere wijze wordt gelegd.

Voor Pé Vermeersch is het bezielde lichaam een oneindig gelaagde voelspriet van het bestaan. En ook een eindeloos gelaagd  uitdrukkingsmiddel, dat in zichzelf de haast ontraceerbare, verste ervaring bergt, en terzelfdertijd deze ervaringen kan stileren tot een esthetische, idealiter sublieme vorm. Daarom overspant het dansende lichaam in zichzelf de lichtjaren tussen rauwe impuls en uiterste stilering. Dans is een fundamentele en radikale kunst : dans gaat naar de grondslag en wortel van de esthetische vorm. Daarom is de dans geschikt om tastbaar te maken wat de  kunstenaar afsplitst van zichzelf. Daarom is het dansende lichaam hier aanwezig –-noodzakelijk aanwezig.

De tentoonstelling was geopend van 22 maart tot en met 20 april 2014.

De performances van Pé Vermeersch en Angela Babuin vonden plaats op 20 april 2014.

Met werk van dertien hedendaagse beeldende kunstenaressen, van anonieme weefsters uit Marokko uit de 19e en 20e eeuw, en van de dansers die met choreografe Pé Vermeersch meegewerkt hebben aan de Dubbelportretten : Angela Babuin (I), Rebecca Rosseel (B), Mira Walschot (B).

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close